Monday, 5 December 2016

Waarom Terlouw mij niet overtuigde…


De reacties op het optreden van Jan Terlouw in ‘De Wereld Draait Door’, waren positief tot uitzinnig. Mensen waren onder de indruk, diep geroerd en geraakt. Voor sommigen leek het alsof zij de Messias aanschouwd hadden. Dat is wel heel bijzonder voor iemand uit de rationele liberale traditie. Kennelijk was er behoefte aan een verhaal dat niet alleen het hoofd, maar vooral ook het hart bereikt.

Ik voelde me daarom bijna schuldig over het feit dat het zeven minuten lang durende betoog van de oude politicus mij niet overtuigd had, op sommige punten zelfs geïrriteerd. Het moralisme stond me tegen, de Calvinistische toon deed me teveel aan mijn Christelijke school denken, aan schoolmeesters die goede bedoelingen en Bijbelse leerstellingen combineerden in een positief wereldbeeld. Maar was dat alles, ging het om de toon en de stijl, of was er meer aan de hand?

Ik besloot Terlouw een tweede en derde kans te geven door zijn verhaal nog een keer goed te beluisteren en dan nog een keer. Toen hoorde ik veel dingen waarmee ik het eens was. Dat milieu, klimaat en energie problemen laten zien met rampzalige dimensies, dat lijkt inderdaad het geval. Dat we er nog weinig in slagen om daar echt wat aan te doen, is ook waar. En de oude politicus heeft zeker gelijk in zijn constatering dat het er niet beter op wordt als bevolkingen leiders als Trump kiezen vanuit hun onvrede met de bestaande politiek. Ja, populisme is een probleem dat alles nog lastiger maakt.

Maar waar is de diagnose? Wat kunnen we doen om het populisme te bestrijden? Wat is ervoor nodig om effectieve milieu- en energiepolitiek te bedrijven? Wat kunnen we doen in een wereld waarin oude geopolitieke verhoudingen aan het schuiven zijn, migratiestromen, concurrentie ten aanzien van grondstoffen en strijdige wereldbeelden een explosief mengsel vormen?

In zijn antwoorden toonde Terlouw zich een naïeve utopist, een idealistische ingenieur. De klimaat- en milieuproblemen zijn namelijk heel eenvoudig oplosbaar, meent hij. Technisch en economisch zijn er geen problemen. De oplossingen liggen klaar! Alleen die verdomde politiek zit dwars, want die is gebaseerd op wantrouwen. Als mensen elkaar weer zouden gaan vertrouwen, zo lijkt zijn redenering, dan kunnen we alle problemen aan. En om dit te onderbouwen gaat hij terug naar de tijd waarin mensen elkaar nog vertrouwden. Dat is de tijd van de wederopbouw  in Nederland, toen de touwtjes nog uit de brievenbussen hingen er nog geen wantrouwende burgers waren die achter populisten aan liepen. Toen hadden politici nog ‘moreel gezag’. Naar die tijd wil Terlouw terug, ooit politicus van een partij die ons van de spruitjeslucht van de verzuilde samenleving wilde bevrijden! Ik geloofde mijn oren niet toen ik hem dat hoorde zeggen. Wist hij niet dat onder dat ‘vertrouwen’ ook uitermate knellende gezagsverhoudingen schuilgingen? Dat de touwtjes alleen uit brievenbussen konden hangen omdat de meeste huisvrouwen gedwongen thuis zaten om op kinderen te passen? Dat dit de tijd was waarin het misbruik binnen de katholieke kerk nog veel ruimte kreeg? Was het ‘morele gezag’ van de elite van toen niet eerder een gedweeë en passieve houding van mensen die trouw waren aan hun eigen groep? Gelukkig bestaat deze samenleving niet meer, ook dankzij Van Mierlo en D66. Godzijdank is er wat meer gezond wantrouwen…

Het nostalgische beeld van het verleden in het verhaal van Terlouw klopt dus niet. Maar klopt zijn beeld van het heden? Enige fact-checking kan geen kwaad. Klopt het dat tegenwoordig niemand elkaar meer vertrouwt? Nee, dat is zeker niet waar. In Nederland is het onderling vertrouwen nog steeds groot vergeleken met de rest van de wereld. Ook is het wantrouwen in het bestuur en de politiek lang niet zo slecht als velen denken. Is niet het brede gebrek aan interesse in de politiek niet ook een uiting van het feit dat men het wel prima vindt zoals het gaat? Is het echte probleem niet eerder een gebrek aan echte betrokkenheid van burgers, eerder dan hun wantrouwen in het bestuur? Terlouw noemt terecht de juridificering van de maatschappij als probleem, maar ook daar laat hij zich weinig door feiten hinderen. Het is simpelweg niet waar dat er bij bouwprojecten meer juristen dan ingenieurs werken en dat op dat gebied iedereen elkaar wantrouwt. Dit is een beeld, een schrikbeeld, dat zeker een zorgelijke tendens aangeeft maar geen getrouwe afspiegeling is van de werkelijkheid.

En dat is het probleem wat ik met Terlouw heb: ook bij hem heeft het beeld het gewonnen van de werkelijkheid. Dat het vroeger niet beter was dan nu, schijnt er niet toe te doen. Het is een beeld dat mensen aanspreekt. Dat milieu- en klimaatproblemen onwaarschijnlijk ingewikkeld zijn past niet in een verhaal waarin alles oplosbaar is, maar alleen de politiek dwarsligt. Dat alles goed komt als we elkaar weer vertrouwen, biedt geen enkel praktisch handvat voor handelen, al geeft het wel een hoopgevend beeld. In ons postmoderne tijdperk vinden politiek en media vinden elkaar in de handel in beelden. Het beeld is belangrijker geworden dan de realiteit, zoals de foto van een aangespoeld dood jongetje alles zei over vluchtelingen, al gaf het geen enkel inzicht in de oorzaken van deze situatie. Laat staan over hoe je de problemen kan aanpakken.


Het succes van het optreden van Terlouw lag vooral in de manier waarop hij aansloot bij een behoefte aan emotioneel geladen beelden. Daarin verschilde zijn succes niet van dat van Trump of Wilders. En net als populisten speelde Terlouw goed in op de hekel van mensen aan politiek, door te suggereren dat de grote wereldproblemen eigenlijk heel eenvoudig op te lossen zijn. Ik vind dit persoonlijk een gevaarlijke suggestie.

Wednesday, 10 February 2016

De Hallelujatest


Checklist ter beoordeling van nieuwe managementconcepten

 Er worden regelmatig ideeën gelanceerd van ideale organisaties. Hierin werken blije mensen aan zinvolle taken voor tevreden klanten. Het bruist er van vernieuwing en innovatie, en duurzaamheid staat hoog in het vaandel. We kunnen er ook politieke of sociale idealen in vinden als rechtvaardigheid en gelijkheid. En mensen kunnen er zich ontplooien, er is ruimte voor hun passies.

Er zijn inderdaad ondernemers, managers en anderen die vanuit dit soort idealen organisaties proberen te bouwen die meer dan de gemiddelde organisatie tegemoet komen aan hedendaagse waarden. Die pogingen zijn interessant en het heeft geen zin om idealisten te vragen de realiseerbaarheid vooraf te bewijzen. Organisatie is geen evidence-based vak, waarin je je steeds door bewezen kennis en getoetste oplossingen laat leiden. Vernieuwing in organisaties komt tot stand door mensen die dingen proberen te doen waarvoor nog geen betrouwbare recepten bestaan. Daarvoor moet ruimte zijn. Toch is het zinvol kritische vragen te blijven stellen, ook bij innovatieve ondernemingen, niet om ze bij voorbaat te stoppen, maar om te kunnen leren van mislukkingen, onverwachte ontwikkelingen en fouten. Wie honderd procent overtuigd is van zijn gelijk, leert niet.  Om te leren moet je aan de ene kant zelfvertrouwen en sterke overtuigingen hebben, maar tegelijkertijd een eerlijke twijfel over de effectiviteit van wat je doet. Je moet altijd blijven openstaan voor de mogelijkheid dat je op het verkeerde spoor zit.

Tegen deze achtergrond zijn boeken over ideale organisaties, geschreven vanuit een onwrikbaar geloof in een ‘nieuw denken’ of en ‘nieuw paradigma’ niet productief wanneer ze niet tevens uitnodigen tot kritische vragen en oprechte twijfel. Boeken met een hoog ‘halleluja-gehalte’ staan leren in de weg. Na lezing van en boek vol ‘halleluja’, ‘Reinventing Organizations’ van Frederic Laloux, heb ik daarom een lijst met kritische vragen opgesteld om productieve vraagtekens te stellen bij utopische verhalen.

De Hallelujachecklist


1         Wie is aan het woord? Is dit vooral of alleen de directeur of een dominante adviseur? Of komen ook anderen aan het woord, zoals middenkader, de werkvloer, klanten, zakelijke partners? Hoe minder mensen aan het woord, hoe beperkter het beeld. Belangrijk is de vraag of ook critici en sceptici aan het woord komen in de tekst.

2         Spreekt de tekst vooral in termen van waarden, van wat nastrevenswaardig is, of is er daadwerkelijk aandacht voor de effecten van handelen? En als er effecten aan bod komen, is er dan sprake van enige kwantificering (zoals effecten op de winst, op het verloop van het personeel, op de groei van het marktaandeel)? Waar geen aandacht is voor effecten en niet getracht wordt te kwantificeren, bestaat de kans dat men zich voor kritiek afsluit.

3         Komt in beeld wie er bij de invoering van de betreffende ideeën over organiseren voordeel hebben en wie er nadeel van kunnen ondervinden? Wordt er aandacht besteed aan weerstand tegen de vernieuwing en de reële oorzaken daarvan in termen van echte of vermeende belangen?


4         Is er sprake van een eerlijke vergelijking van de vernieuwde organisatie(s) en andere (normale, gangbare) organisaties, wanneer de positieve effecten van het nieuwe organiseren worden gerapporteerd? Worden statistische problemen van zo’n vergelijking serieus genomen? Is er daarbij aandacht voor het voor de hand liggende probleem van selectie van positieve casussen, die op termijn weer terug zullen vallen naar een meer gemiddeld patroon (regression to the mean?).


5         Waar relaties tussen het ‘nieuwe organiseren’ en de prestaties (performance) van de organisatie worden gelegd, wordt er daarbij ook met de mogelijkheid rekening gehouden dat de causaliteit wel eens andersom kan zijn dan aangenomen? Dat laatste zou dan inhouden dat bedrijven met positieve bedrijfsresultaten neigen tot invoering van nieuwe organisatievormen, eerder dan dat de bedrijfsresultaten het gevolg zijn van de organisatievorm.


Toepassing

Als we deze lijst toepassen op het werk van Laloux, dan is dit het beeld:

1         Aan het woord komen vooral de leiders die in de ideeën geloven; critici en sceptici krijgen geen stem.
2         Het verhaal speelt zich af op het niveau van waarden, met weinig oog voor de feitelijke effecten op bedrijfsprestaties en andere variabelen.
3         Er is nauwelijks aandacht voor onderscheiden belangen gerelateerd aan de nieuwe organisatievormen.
4         Er is geen enkele poging om de vernieuwde organisaties eerlijk te vergelijken met andere organisaties.
5         Omdat het niet om effecten gaat, komt dit vraagstuk niet aan de orde.

Eindconclusie is dus dat het boek van Laloux een extreem hoog Hallelujagehalte heeft. We kunnen er dus niet van leren.


Verwijzing

Frederic Laloux, Reinventing Organizations: Nederlandse editie, Tielt/Haarzuilens: Lannoo/Het Eerste Huis, 2015