Tuesday, 30 December 2014

Individuen en relaties centraal: sociaal-liberaal idealisme en de praktijk



Huibert de Man, december 2014

Recensie van:

Corina Hendriks, Mars Sanders, Timo Kansil en André Meiresonne (2014), Van opgelegde naar oprechte participatie. Den Haag: Van Mierlostichting/Boom Lemma uitgevers.


De verzorgingsstaat zoals we die in vorige decennia hebben opgebouwd, is niet meer houdbaar. Daarover zijn partijen van verschillende signatuur het eens, zij het om verschillende redenen. Het gaat om de betaalbaarheid ervan, de rol van bureaucratische regels en structuren, de betutteling van de burger en de crisis van de vertegenwoordigende democratie. De ‘participatiesamenleving’, gelanceerd in de troonrede van 2013, is het antwoord van de huidige coalitie. Het concept bevat de spanningen tussen intenties en uitgangspunten van de coalitiepartners: het ideaal van de maakbare samenleving van de sociaaldemocraten en het neoliberale marktdenken van de (conservatieve) liberalen. Met de christendemocraten in de oppositierol zagen we minder terug van het vertrouwen op traditionele verbanden en gemeenschap.

Wat is nu het antwoord van D66? Wat is het sociaal-liberale perspectief? Het bovengenoemde boekje is en moedige poging in die richting vanuit de Hans van Mierlostichting. Het bevat in vijf hoofdstukken een schets voor een weg die afwijkt van de voorkeur voor de staat in het sociaaldemocratische denken, niet blind op de markt wil vertrouwen in de lijn van conservatieve liberalen, maar ook niet kan en wil meegaan in een in de ogen van de auteurs achterhaald gemeenschapsdenken in confessionele kring. Want voor de sociaal-liberalen is het autonome individu het uitgangspunt, niet de groep, de organisatie of van boven opgelegde normen en waarden. Het individu dat met anderen de samenleving vormt door relaties op te bouwen en te ontwikkelen, moet de basis en de toetssteen zijn van de inrichting van de samenleving.

Deze visie wordt in het boekje ontvouwd in een brede sociologische analyse, waarin drie ordeningsprincipes worden onderscheiden: het marktprincipe, het bureaucratieprincipe en het relatieprincipe. De markt betreft ruilhandel tussen actoren, de bureaucratie geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde patronen van handelen verankerd in regels. Het relatieprincipe zien we waar mensen van onderop samen zaken realiseren, zoals in diverse maatschappelijke initiatieven. Niet alleen in deze positieve ontwikkelingen zien we het belang van het relatieprincipe. Ook in de toenemende maatschappelijke onvrede over instituties en de politiek weerspiegelt zich het belang dat mensen eraan hechten om als autonoom individu in onderlinge interactie vorm te geven aan de maatschappij. 

Het scheppen van positieve voorwaarden voor het relatieprincipe moet de bijdrage van een sociaal-liberale politiek zijn, niet het inkapselen daarvan in bureaucratische regels of het volledig vertrouwen op de krachten van de markt. In de visie van het boek vormt het relatieprincipe de ‘oudste en meest natuurlijke vorm van organiseren’ (pag. 15). En men roept de politiek dan ook op om ruimte te geven aan deze ‘natuurlijke dynamiek’.  Men pleit er dus voor het relatieprincipe ‘weer centraal te stellen bij de inrichting van onze individualiserende samenleving’. Het boek legt een grote nadruk op het belang van kleinschaligheid, waarin relaties tussen autonome individuen zich kunnen ontplooien. Het pleidooi voor het individu stelt het sociale karakter van mensen centraal en het betoog bevat geen pleidooi voor zelfzuchtige individuen die ten koste van anderen hun eigenbelang najagen. Maar vaste vormen waarin de relaties tussen individuen zouden moeten passen, wijst het boek af. Die passen niet bij onze ‘fluïde samenleving’ of ‘netwerksamenleving. Ook gezag heeft niet meer de vaste herkenbare vormen.

Door de dominantie van de markt en de bureaucratie komt het relatieprincipe echter steeds meer in de knel. Het gaat er dus om ‘de mens’ weer centraal te stellen. De kille markt en de gevoelloze bureaucratie moeten wijken voor ordening die menselijke creativiteit en verschillen tussen mensen serieus neemt en waarin improvisatie mogelijk is. Niet het volgen van de regels of de economische transactie moet centraal staan; het gaat om persoonlijke interacties op basis van gelijkwaardigheid. Deze gedachte wordt in het boekje toegelicht ten aanzien van verschillende domeinen van maatschappelijk en economisch handelen. Steeds gaat het erom tot een nieuwe balans tussen de drie organisatieprincipes te komen, waarbij het relatieprincipe versterkt moet worden. Voor de politiek betekent een en ander dat men moet zorgen dat men maatschappelijke initiatieven niet van de burgers afpakt, maar het eigenaarschap daar laat liggen waar het hoort. Dit vraagt vaak van de politiek het achterwege laten van actie, waar ingrijpen de gebruikelijke bestuurlijke reflex is. Bestuurders en politici moeten geduldig zijn en weerhoudend zijn met het ‘uitrollen’ van projecten die uit lokaal initiatief voortkomen.

De vraag is natuurlijk wat dit voor de praktijk van de dagelijkse politiek van het openbaar bestuur betekent, waarbij D66’ers betrokken zijn. Geeft de tekst ons een idee van wat het ‘juiste’ evenwicht is tussen markt, bureaucratie en menselijke relaties? Nee, zover gaat de tekst niet. Het lijkt erop dat je als D66’er wat minder op de markt moet vertrouwen dan de VVD, minder op de bureaucratie dan de PvdA en minder op traditionele sociale verbanden dan het CDA. En dat je het zelfstandige individu meer benadrukt dan deze genoemde partijen. Maar het juiste evenwicht zul je in concrete situaties zelf moeten vinden. En dat roept wel lastige vragen op, waar het algemene betoog van het boek weinig steun biedt. Moet je de verzekeraars nu wel of niet meer macht geven in de gezondheidszorg (markt), of steun je het principe van de vrije artsenkeuze (autonoom individu)? Laat je de aanleg van een netwerk van glasvezel over aan een lokale coöperatie (relatieprincipe) of ga je er als gemeente zelf financieel risico lopen (bureaucratie)? Lastig wordt het waar principes met elkaar strijden. Neem het roken in cafés. Waarom laten we dit niet over aan de mensen onderling (relatieprincipe) en zetten we zo hard in op de handhaving van wetten (bureaucratie)? De macro-sociologische beschouwingen in het boekje geven de bestuurder die met dit soort vraagstukken geconfronteerd wordt, weinig steun. De bestuurspraktijk behelst immers het omgaan met dilemma’s in specifieke en veranderlijke situaties, waarvoor abstracte uitgangspunten en waarden vaak weinig steun bieden.

De basistermen van het boek – markt-, bureaucratie- en relatieprincipe – zijn in hoge mate ideaaltypisch en abstract. Ze verwijzen niet naar concrete verschijnselen maar naar theoretische constructies. Zo wordt over ‘de markt’ gepraat als een geheel waarin volgens economische wetmatigheden wordt geruild. De markt van de economen dus, die in werkelijkheid niet bestaat. Echte markten zijn georganiseerd, bestaan uit ketens en machtsverhoudingen. In echte markten spelen persoonlijke (machts-)relaties een belangrijke rol. Echte markten zijn vaak verweven met de bureaucratie. Denk aan de verzekeringsmarkt en haar relatie met de gezondheidszorg of aan de markt voor openbaar vervoer. De bureaucratie die in het boekje naar voren komt, is evenzeer een theoretische constructie. Het is de idealisering van Max Weber: een organisatievorm de geheel op formele verhoudingen is gebaseerd. Ook die vinden we niet in de werkelijkheid. Het ‘bureaucratieprincipe’ is de buitenkant van organisaties, die aan de binnenkant vooral uit menselijke relaties en machtsverhoudingen bestaan. Ook het relatieprincipe is een idealisering. Tegenover de ‘onmenselijke’ markt en bureaucratie wordt het ‘menselijke’ relatieprincipe gezet. Hier dreigt het betoog een romantische draai te krijgen, omdat menselijke relaties als eenzijdig positief worden afgebeeld. Het ‘menselijke’ is kennelijk vooral mooi. Waar blijven de duistere kanten van het mens-zijn? Niet alleen verwijst men naar de ‘positieve psychologie’, een nogal eenzijdige denkrichting waarin de duistere kanten van het menselijk bestaan systematisch worden onderbelicht,  ook grijpt men terug op oude voorstellingen van ‘natuurrecht’. Geheel in de traditie van Jean Jacques Rousseau, die geloofde in een natuurlijke oertoestand waarin de mens een ‘edele wilde was’, ziet men het relatieprincipe als de ‘oorspronkelijke’ menselijke manier van organiseren. Een soort paradijs dus. Dit lijkt me een nogal naïeve politieke filosofie. We zullen ook het probleem van Hobbes serieus moeten nemen: het reguleren van conflicten en geweld tussen mensen.

Kortom, het begrippenkader van markt, bureaucratie en relatie kan helpen als kapstok voor de discussie over de ontwikkeling van de verzorgingsstaat vanuit een sociaal-liberaal perspectief. In die zin is de aftrap voor de discussie door Corina Hendriks en haar team prima. We moeten er alleen voor waken dat we de abstracte begrippen niet verwarren met de complexe werkelijkheid die daar nooit in zal passen. Ook heeft het idealisme van het positieve denken over sociale relaties een flink stuk realisme als tegenwicht nodig. In de politieke praktijk zal moeten blijken of D66 een herkenbare vierde weg kan bieden die zichtbaar anders is dan het denken over bureaucratie, staat en gemeenschap in de oude politieke partijen. Tevens zal het een antwoord moeten zijn op het alternatief dat in het gehele boek angstvallig niet wordt genoemd: het populisme, dat een ander antwoord biedt op maatschappelijke onvrede rondom de verzorgingsstaat. De vertaling van het denken naar de harde dilemma’s van macht en besluitvorming is essentieel nu D66 steeds meer bestuursverantwoordelijkheid gaat dragen.