Thursday, 16 October 2014

ICT en de overheid: adviezen van de commissie gevangen in oude reflexen




Huibert de Man, Strategisch Onderzoek en Advies, Geldrop, 16 oktober 2004

Even voor de duidelijkheid: de overheid heeft wel degelijk grote problemen met haar ICT en de beheersbaarheid van de activiteiten, uitgaven op dat gebied. Dat weet iedereen die daar zelfs maar zijdelings mee te maken heeft. Daarom is het op zichzelf goed dat een parlementaire enquêtecommissie helpt om dit onderwerp hoger op de agenda te plaatsen. Toen het verhaal op 15 oktober 2014 openbaar werd, stonden de kranten meteen al vol met citaten uit of interpretaties van het rapport. Het viel meteen op dat alle tien conclusies negatief waren: er deugt werkelijk niets van. Daarbij krijgt iedereen een stevige veeg uit de pan: de politiek verantwoordelijke bestuurders, het parlement, de ambtelijke leiding op de ministeries en de projectmanagers. Als je de kranten zo leest, dan krijg je toch de indruk: ‘het is niks en het wordt niks’. Dat maakt natuurlijk des te nieuwsgieriger naar de aanbevelingen. Hoe gaat de overheid zichzelf als een soort baron Von Münchhausen aan de eigen haren uit het ICT-moeras trekken als het aan de commissie ligt?

De nadruk in het rapport ligt op maatregelen die de greep op de ICT versterken. Daarbij gaat het vooral op het creëren of veranderen van structuren en formele procedures, om zo te zorgen dat de zaken rondom ICT ‘op orde’ zijn. Ik noem hier de vorming van een centraal bureau ICT-toetsing (BIT), meer centrale sturing in het ICT-beleid, centralisatie van ICT-inkoop, vergroting van de macht van departementale CIO’s, verbeteringen van contracten en strakkere handhaving daarvan, waar het nodig is met de rechter, een betere zakelijke verantwoording van ICT-projecten voor en tijdens projecten en betere informatievoorziening.  De toon van dit alles is streng: er moet nu eens stevig worden ingegrepen. De vraag is natuurlijk of de gekozen middelen – meer top-down besturing, meer expliciete verantwoording, meer stroomlijning van procedures – het gewenste effect zullen hebben. Kan een overheid, die kennelijk tot nu niet voldoende in staat is geweest is om de eigen ICT-inspanningen te beheersen, dit plotseling wel, nu het in een rapport staat? Zijn de hiërarchische en structurele maatregelen adequaat?

Een belangrijke vraag die je je hierbij kunt stellen is of wat er in het rapport staat wel zo nieuw is. Wist men dit allemaal niet? Uit wat ik zelf in de afgelopen jaren heb gezien en gehoord, lijken me de conclusies niet erg onverwacht. Ik denk dat ze dat ook voor mensen in en rond de overheid niet zijn. Dat is niet ongebruikelijk bij managementproblemen. Meestal weet men eigenlijk wel wat er fout gaat. De echte vraag is dan, wat mensen in problematische situaties er dan van weerhoudt om beter en effectiever te handelen. Het is best bekend dat er in de overheid vaak geen lessen worden getrokken uit fouten bij grote projecten. Maar we weten ook dat met die kennis weinig gebeurt. Kennelijk zijn er sterke prikkels om niet van fouten te leren. Welke zijn dat? Daarover staat nauwelijks iets in het rapport. Wel komt men met de dooddoener dat er een ‘mentaliteitsverandering’ nodig is. En men denkt dat de oprichting van het BIT een basis zal zijn voor ‘gedragsverandering’. Sinds wanneer leiden dit soort structuurwijzigingen tot anders denken en handelen? We zullen eerst beter moeten begrijpen waardoor mensen in de grote projecten van de overheid handelen zoals ze doen en daarover staat weinig in het rapport. Dat komt vooral doordat men analyse en beoordeling door elkaar haalt. En beoordeling blijkt vooral veroordeling. Je kunt een hele sector beschuldigen van een gebrek aan lerend vermogen – een constatering die feitelijk niet helemaal onjuist is – maar dat brengt nog geen leren op gang! De versterking van top-down besturing, verantwoording en controle – de bestuurlijke reflex waar het rapport van doordrenkt is – zal eerder tot conformistisch gedrag en schijnbeheersing leiden. Dat weten we uit de literatuur over management control. Door de toegenomen informatiestromen richting ambtelijke top, politiek bestuur en volksvertegenwoordiging – dit door de toenemende nadruk op verantwoording - , zal daar meer informatie terecht komen dan men kan verwerken. Dit kan de facto tot een verminderde sturing leiden! De verhouding tussen zelfsturing en autonomie op uitvoeringsniveau en de noodzaak van verantwoording en sturing op hoofdlijnen op het niveau van departementen en programma’s komt in het gehele rapport niet aan de orde. Een ouderwets bureaucratisch beheersingsdenken overheerst.

Dit bureaucratische denken past niet bij de wereld waar we, vooral ook dankzij ICT, in leven. De complexiteit van hedendaagse overheidsorganisaties is niet te vangen in starre hiërarchische structuren en systemen van planning en control. Het denken over ICT als een apart te managen ‘aspect’ van de bedrijfsvoering is daarbij achterhaald. De bureaucratische reflex om op dit aspect weer managers (CIO’s) en besturingsorganen (BIT) te zetten, is bekend ineffectief in situaties met een hoge complexiteit. In het bedrijfsleven is men wat dat betreft al een stap verder. Zoals Strikwerda (2014) schrijft, hebben succesvolle bedrijven geen ICT-projecten en dus ook geen ICT-managers en –toetsingsorganen. ICT is een centraal aspect van de bedrijfsvoering en dat hoort in de lijn van de organisatie thuis. Het apart houden van ICT en het centraliseren van deze functie bij de overheid, zoals door het rapport-Elias bepleit, leidt tot ineffectieve aspectsturing en daarmee tot onbeheersbaarheid. Het zou niet moeten gaan om het optimaliseren van ICT, maar om innovatief organiseren bij de overheid waarvan ICT-middelen een belangrijke ingrediënt vormen. Zoals De Bruijn (2014) in een column schrijft, zou het moeten gaan om innovatie op systeemniveau. Maar dat is wat anders dan centralistisch te touwtjes aantrekken voor het aspect ICT! Om innovatief met ICT om te gaan, hebben we een andere blik op organisaties nodig dat rekening houdt met complexiteit (Mulder, 2014).

Overigens bevat het rapport wel degelijk elementen die voor een innovatieve aanpak van belang zijn. Zo wordt er op verschillende punten gewezen op het belang van ICT-deskundigheid binnen de overheid, het bestuur en de politiek. Als meer mensen weten waar het om gaat, is integratie van ICT in de bedrijfsvoering beter te realiseren. De aanbevelingen om ICT in de opleidingen van rijksambtenaren een grotere rol te geven, lijkt dus nuttig, als daarbij de relatie met de inrichting van processen en organisaties voorop staat.

Betrokkenen moeten beseffen dat zij zich inderdaad met de eigen haren uit het moeras proberen te trekken. De problemen die de overheid heeft met ICT worden veroorzaakt door denkwijzen en routines die diep in de cultuur van de overheid verankerd zijn, maar niet meer passen bij de complexe wereld waarin wij leven. Zolang we deze problemen proberen op te lossen met dezelfde logica – hiërarchie, beheersing, formele verantwoording, zekerheid zoeken – zakken we verder de modder in. Juist wie de overheid wil verbeteren, moet kritisch zijn over de eigen vooronderstellingen. Dat was voor de enquêtecommissie nog een stap te ver.

Bronnen


Bruijn, Dirk-Jan de (2014), ICT bij de overheid: van optimaliseren naar écht innoveren, Managementsite.nl, 2 juni: https://www.managementsite.nl/optimaliseren-cht-innoveren

Mulder, Nicoline (2014), ‘Een chaordische kijk op IT-projecten’, in Arno Nuijten en Mark van Twist (red.), IT-complexiteit en beheersing: op zoek naar woorden voorbij bestaande kaders. Rotterdam: Erasmus School of Accounting and Assurance.

Parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, nr. 5, nr. 33 326, ISS 0921 – 7371

Strikwerda, Hans (2014), Een succesvol  bedrijf kent geen ICT-projecten, Managementsite.nl, 25 juni:  https://www.managementsite.nl/succesvol-bedrijf-kent-geen-ictprojecten




Bijlage: de aanbeveling van de enquêtecommissie



·      Er wordt een tijdelijke ICT-autoriteit opgericht, die als sluis zal functioneren: het BIT (Bureau ICT-toetsing).
·      De Kamer neemt in haar Reglement van Orde op dat moties en initiatiefwetsvoorstellen op verzoek van een Kamerlid kunnen worden getoetst door het BIT.
·      De Kamer vergroot het eigen ICT-bewustzijn, bijvoorbeeld door ICT op te nemen in het introductieprogramma voor nieuwe Kamerleden en geregeld contact te hebben met het BIT.
·      De Kamer gaat meer gebruikmaken van bestaande instrumenten zoals de Regeling Grote Projecten, en gaat met deze intensievere informatievoorziening ook daadwerkelijk iets doen.
·      Het kabinet overweegt voortaan expliciet en structureel de mogelijke gevolgen en risico's van zijn besluiten vanuit ICT-perspectief.
·      De rijksoverheid brengt meer centrale sturing aan in haar ICT-beleid, onder andere door één Minister verantwoordelijk te stellen voor het beleid rondom de beheersing van ICT-projecten.
·      De CIO Rijk krijgt per direct meer bevoegdheden en doorzettings-macht in de uitvoering van het algemene ICT-beleid.
·      De besparingen en maatschappelijke opbrengsten van het algemene ICT-beleid worden zichtbaar gemaakt.
·      De rijksoverheid ziet daadwerkelijk toe op naleving van haar pas-toe-of-leg-uit-beleid rondom opensourcesoftware en open standaarden.
·      Ga door met de centralisatie van ICT-inkoop en rijksbrede ICT-voorzieningen.
·      De rollen en verantwoordelijkheden binnen alle ICT-projecten van de rijksoverheid, inclusief die van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen, zijn duidelijk belegd. Er is altijd één bewindspersoon eindverantwoordelijk voor een ICT-project met een groot publiek belang.
·      De departementale ClO's geven meer prioriteit aan de beheersing van ICT-projecten en krijgen meer doorzettingsmacht.
·      De kwaliteit van informatie over grote en risicovolle ICT-projecten wordt verbeterd in de jaarrapportages; het Rijks ICT-dashboard gaat zo spoedig mogelijk zinnige informatie bevatten.
·      De rijksoverheid verzamelt en analyseert continu en structureel de gegevens van zo veel mogelijk ICT-projecten en het projectmanagement maakt gebruik van de gevonden patronen.
·      De rijksoverheid zorgt ervoor dat zij in staat is rijksbreed een goede prioritering te maken van ICT-projecten.
·      De zakelijke rechtvaardiging wordt niet alleen bij de start maar tijdens het hele ICT-project gebruikt.
·      Er komt een verplichte starttoets bij projecten van meer dan 5 miljoen euro met een belangrijke ICT-component.
·      Er komt een jaarlijks totaaloverzicht van de ICT-kosten bij de rijksoverheid.
·      Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 33 326, nr. 5         21
·      De rijksoverheid neemt genoeg ICT-experts in dienst.
·      Er komt een centraal en structureel ICT-opleidingsprogramma voor opdrachtgevers en projectleiders binnen de rijksoverheid.
·      ICT wordt een vast onderdeel van interne opleidingen voor alle rijksambtenaren.
·      De departementale CIO ziet erop toe dat rollen en verantwoordelijkheden helder zijn belegd.
·      De rijksoverheid zorgt ervoor dat alle betrokkenen voortaan expliciet belang hebben bij een succesvolle afronding van het project.
·      De uitvoerders en alle managementlagen dienen hun ambtelijke top en bestuurders te voorzien van realistische informatie over de voortgang van een project.
·      Onderdeel van het personeelsbeleid bij de rijksoverheid wordt de eis dat medewerkers voldoende ICT-kundig zijn om hun functie te kunnen vervullen.
·      De rijksoverheid is verplicht om voor en/of tijdens aanbestedingstrajecten altijd te overleggen met de markt op basis van een pas-toe-of-leg-uit-beleid.
·      Het functioneel aanbesteden wordt verplicht in pas-toe-of-leg-uit-beleid.
·      Resultaten van een leverancier uit het verleden worden voortaan meegewogen in de beoordeling van aanbiedingen.
·      Er komt een gedragscode voor ICT-leveranciers, inclusief definities voor goed opdrachtgeverschap, opdrachtnemerschap en bijbehorende zorgplicht.
·      De mogelijkheden van de Aanbestedingswet worden voortaan beter benut.
·      De departementale CIO ziet erop toe dat de rijksoverheid zich als opdrachtgever in ICT-projecten professioneler en betrokkener opstelt.
·      De rijksoverheid vermijdt meerwerk en uurtarieven en zet hierbij eventuele perverse prikkels om in positieve prikkels.
·      In contracten staan altijd ontsnappingsclausules en wijzigingsprocedures.
·      Een contract verdwijnt na ondertekening niet in een la, maar wordt tijdens het project daadwerkelijk gebruikt. Rechtszaken worden bij wanprestatie normaal.






Sunday, 12 October 2014

Kunnen wij ons eigen leven ontwerpen?

Zelfsturing en loopbaankeuze: de aanleiding


Met bovenstaande vraag bleef ik rondlopen na het bijwonen van een academische promotie. Stephan Corporaal promoveerde er op een proefschrift over wat de ‘Generatie Y’ zoekt in werk en dat bleek iets anders te zijn dan de ideologie van vrijheid, autonomie en zelfsturing ons wil laten geloven (Corporaal, 2014). Veel jonge mensen willen gewoon zekerheid en structuur. Ik denk persoonlijk dat de meesten ook gewoon een baas willen die leiding geeft, van wie ze iets kunnen leren, die een persoonlijk voorbeeld is. Dit is anders dan wat we in veel managementboeken lezen en zeker wat het hedendaagse denken over personeel – Strategisch Human Resource Management – vertelt.  Eén van de opponenten bij de genoemde promotie, professor Marinka Kuijpers, verwoordde de overheersende stroming heel goed in haar kritische vragen bij het proefschrift van Corporaal. Volgens haar moeten jongeren in een vroeg stadium leren hun eigen toekomst te ontwerpen. ‘Reactief’  handelen in studie en loopbaan is niet meer genoeg, men moet ‘proactief’ het eigen heft in handen nemen, bewuste, geïnformeerde keuzen maken over de toekomst. Deze visie vinden we in diverse publicaties van genoemde hoogleraar (Kuijpers, 2007;Kuijpers, 2012).

Zelfsturing en proactiviteit: passend in deze tijd


Op zich spreekt het idee van zelfsturing en proactiviteit me aan. Ook ik probeer mee te denken over nieuwe organisatievormen die minder op hiërarchie en meer op eigen initiatief en intrinsieke motivatie van de medewerkers gebaseerd zijn. Als medewerker van de Open Universiteit heb ik jarenlang onderwijs gemaakt vanuit de overtuiging dat het leren van de student centraal moet staan. Zij of hij moet het eigen leren sturen. Ik was ooit enthousiast over het 'studiehuis'.

En ik ben lid van een politieke partij (D66) die als eerste beginsel heeft:

“Wij vertrouwen op de eigen kracht en ontwikkeling van mensen. Daarom zien we de toekomst met optimisme tegemoet. Mensen zijn zo creatief dat ze steeds opnieuw zelf oplossingen vinden.” (bron: https://d66.nl/richtingwijzers/vertrouw-op-de-eigen-kracht-van-mensen/)

Ook ik denk dat de betutteling van mensen uit de tijd van massaorganisaties en georganiseerde arbeidsverhoudingen voorbij is. De verzorgingsstaat kan ons niet van de wieg tot het graf verzorgen en we moeten meer dan voorheen het heft in handen nemen. Dat zal niet anders gaan. Maar op basis van wat ik om me heen zie, wat ik lees en wat ik in mijn eigen leven meemaak, twijfel ik toch aan de gedachte dat wij ons eigen leven kunnen ontwerpen.  Zoiets kun je zeggen, maar wat bedoel je er dan precies mee? Komt het ook in de werkelijkheid voor en zo ja, hoe zou het er dan uitzien?



Ontwerpen is metafoor


Je eigen leven ontwerpen, is een metafoor. En het probleem van metaforen is dat ze altijd misleidend zijn. Ze suggereren eigenschappen van de werkelijkheid die niet bestaan en zo komen we tot conclusies die niet deugen, zonder dat we dat doorhebben. Ontwerpen doen we in technische en artistieke contexten: we ontwerpen een machine, we ontwerpen een zitmeubel of eventueel een evenement. Dit zijn dingen die buiten onszelf staan, waarvoor we modellen creëren, prototypes maken en versies, om zo tot een product te komen dat aan onze wensen of die van de opdrachtgever voldoet. Maar wat ontwerp je als je je leven ontwerpt? Is dat een ding met eigenschappen dat je voor je kunt zien, waarvoor je specificaties kunt maken, waarvoor jij de opdrachtgever bent? En als het ontwerp niet voldoet, kun je het dan weigeren te betalen? Hier gaat de metafoor dus al compleet mank. Ons leven is niet meer en minder dan het geheel van ervaringen die we zelf hebben door wat we doen. Het is zeker geen ding, eerder een verhaal. Dit verhaal schrijven we terwijl we leven, door te reflecteren op onze ervaringen. De beroemde uitspraak van Kierkegaard vat onze verhouding tot dit verhaal goed weer:

Livet forstås baglæns, men må leves forlæns” (Het leven begrijp je door terug te kijken, maar moet voorwaarts geleefd worden) (Thielst, 2012).

De organisatiepsycholoog Karl Weick introduceerde zijn begrip ‘retrospective sensemaking’ om dezelfde waarheid uit te drukken (Weick, 1976). Omdat wij eerst handelen en pas door terugkijken op dit handelen daar betekenis aan kunnen geven, bijvoorbeeld in termen van doelen en waarden, kennen we de wereld alleen via de selectieve herinnering aan wat we gedaan hebben en de betekenis die we daaraan geven. Als je je leven ‘ontwerpt’, dan is dit niet vergelijkbaar met het technisch ontwerpen van een systeem.

Eigen ervaring: geen ontwerp, wel een verhaal


Als ik zelf terugkijk op de keuzen die ik in mijn werkzame leven gemaakt heb, dan zie ik geen heldere ontwerpen op basis van scherpe doelen en ondubbelzinnige waarden. Laat staan dat ik op essentiële momenten een idee had van wie ik precies was en wat mijn sterke en zwakke kanten waren. Integendeel, het waren eerder momenten van verwarring, waarop dingen gebeurden die mogelijkheden boden mijn levensverhaal te herschrijven, een plot te ontdekken die ik nog niet eerder kende en een ontknoping te vermoeden die in vorige hoofdstukken nog onduidelijk was. Het gaat om evolutionaire processen: er ontstaan toevallige variaties en sommige daarvan houd je vast, andere verdwijnen weer, en zo ontstaat een patroon, een richting.

Het is dus geen technisch ontwerpen, maar eerder een evolutionair proces, waarin toevalligheden de input zijn, maar de output wel sterk wordt bepaald door wat je ermee doet. Dit doe je niet alleen. De ontwerpmetafoor van het leven benadrukt echter het individu.  We veronderstellen dat mensen vanuit hun persoonlijke waarden hun eigen toekomst ontwerpen. Op deze manier verwaarlozen we de sociale context van het handelen. Uit onderzoek is bekend dat de relatie tussen persoonlijke waarden en gedrag uitermate zwak is. Groepsnormen, regels en sociale sancties bepalen veel sterker wat we doen dan individuele opvattingen. De context selecteert gedrag. Om even terug te komen op die jongere die moet leren zijn eigen toekomst te ontwerpen: die doet dit als kind in een gezin, als onderdeel van een vriendengroep, als scholier of student in een klas. Hij of zij maakt keuzen binnen deze sociale context. Dit komt ook naar voren uit onderzoek over leren. Echte autodidacten zijn schaars. We leren het best in een sociale context, waarvan leraren en medeleerlingen onderdeel uitmaken. Je eigen leerpad ontwerpen klinkt mooi, maar we zijn doorgaans niet in staat de goede keuzen te maken zonder de steun, het advies en de aanmoediging van anderen (Kirschner & Merriënboer, 2013). De individuele keuzevrijheid die de ontwerpmetafoor suggereert, is in werkelijkheid beperkt.

De beperkingen van bewuste keuze

Ik merk dat ik hier het lastige woord ‘keuzevrijheid’ gebruik. Velen spreken ook van ‘bewuste keuze’, waarbij verondersteld wordt dat de ‘vrije wil’ altijd ‘bewustzijn’ veronderstelt. Hier bevinden we ons in een filosofisch mijnenveld waarvan de pleitbezorgers van  ‘zelfsturing’, ‘proactief handelen’ en dergelijke zich meestal niet bewust lijken te zijn. Uit hedendaags neurowetenschappelijk en psychologisch onderzoek blijkt duidelijk dat bewuste aandacht een heel schaars goed is. We kunnen maar weinig dingen aandacht geven en moeten noodgedwongen het meeste op de automatische piloot doen. Sommigen gaan zover dat zijn het gehele bewuste als een onbeduidende ‘babbelbox’ terzijde schuiven, die eigenlijk niet meer doet dan commentaar geven op wat we kennelijk doen (Lamme, 2010). Ik denk (met Philipse, 2012) dat dit een onhoudbare positie is, maar het blijft dat onze mogelijkheden tot bewust handelen beperkt zijn en dat veel van wat we doen door onbewuste programma’s wordt aangestuurd. Deze onbewuste programma’s omvatten aangeleerde patronen van handelen, maar ook de biologisch bepaalde en in de hersenen verankerde drijfveren die ons als biologische wezens nog steeds kenmerken, zoals de behoefte aan macht, seks en waardering van anderen (Van der Meché, 2012).

Als we dit combineren met het evolutionaire karakter van de ontwikkeling van handelingspatronen, dan komen we heel ver te staan van de ontwerpmetafoor. We doen veel dingen min of meer toevallig, reagerende op prikkels, waarbij we bestaande patronen volgen. Van tijd tot tijd reflecteren we daarop, ontdekken patronen en verwoorden die onder meer in termen van doelen en waarden. Het beeld van het zelfsturende en proactief handelende individu is in zuivere vorm dus fictie. Als ideaal geeft het nog steeds een aantrekkelijke richting aan, maar in werkelijkheid zijn we biologische wezens in een sociale context en met een beperkt bewustzijn, die noodgedwongen altijd meer zullen reageren dan ‘proageren’, hoe we dat zelf verder ook verwoorden. En naarmate de ideologie van zelfsturing dwingender wordt in onze maatschappij, mogen we meer hypocrisie verwachten: mensen zullen hun reactieve en afhankelijke gedrag immers moeten rechtvaardigen in termen van bewust en proactief handelen. Dit defensieve patroon vinden we immers overal waar ‘beleden theorie’ (espoused theory) sterk afwijkt van de ‘handelingstheorie’ die het gedrag aanstuurt, zoals Chris Argyris al jaren geleden schreef (zie De Man, 2003). 

Een eeuwenoud thema: spanning tussen passies en bewust handelen


De spanning tussen de feitelijke oorzaken van gedrag en de redenen voor handelen die we zelf daarvoor geven, is uiteraard geen probleem van vandaag of gisteren. Als onderdeel van de natuur gehoorzamen wij aan de natuurwetten en als zedelijke wezens moeten we ons verantwoorden in termen van redenen, zo schreef Kant (1982). Wie slachtoffer is van de oorzakelijke wereld, ondergaat haar, lijdt, aldus Spinoza die het in zijn Ethica over de passies (‘lijdingen’) had: de mechanismen die ons gevangen houden in de oorzakelijke wereld (zie bijv. Van Reijen, 2013). Wie lijdt kan niet ethisch handelen en het gaat er dus om de wereld van de passies en de wereld van het verstand met elkaar in het reine te krijgen. Door inzicht in de noodzakelijkheid van de natuurwetten worden we pas echt vrij. Een vergelijkbaar advies komt uit het Taoïsme. Wie de natuurlijke beweging in de werkelijkheid probeert tegen te werken en zijn wil aan de dingen probeert op te leggen, wordt ineffectief. Wie grootse dingen wil realiseren, bereikt weinig. Leeg (zonder ideeën, doelen, begrippen) zijn is een voorwaarde om in de energie van de wereld te participeren.



Wijsheid: accepteer beperkingen ontwerpmetafoor


We moeten dus voorzichtig zijn als we onze toekomst willen ontwerpen. Wijsheid begint hier met inzicht in het feit dat dit strikt genomen niet kan. Vervolgens met de erkenning dat wij als individuen niet anders kunnen dan reageren op de wereld die we aantreffen. We zijn, om met Heidegger te spreken, ‘in de wereld geworpen’ en daarin moeten we samen met anderen onze weg vinden. Er zal altijd een spanning zijn tussen wat we denken en zeggen na te streven en wat we vanuit onze ‘passies’ binnen een concrete context doen, als reactie op prikkels die we daar tegenkomen. Natuurlijk moeten we proberen sturing te geven aan ons eigen leven, door in gesprek met anderen ons levensverhaal actief te schrijven en te herschrijven. De motor van ons leven ligt echter niet in plannen, rationele ontwerpen en mooie woorden, maar in het doorlopend zin geven aan de verwarrende werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken.

Laten we dus voorzichtig zijn om anderen – leerlingen en studenten, werknemers, burgers – te dwingen proactief en zelfsturend te zijn. Deze paradoxale opdracht kan alleen tot hypocrisie aanleiding geven. Ook moeten we de beperkingen die mensen ondervinden bij het sturen van hun eigen leven serieus nemen.  We moeten de behoefte aan leiderschap door anderen of de vraag naar regels en zekerheid niet afdoen als een vorm van onvolwassenheid. We moeten meer aandacht geven aan de sociale context waarin mensen zich gedragen. Ook in een tijd van individualisering blijven mensen handelen als lid van groepen. Het blijft, in de context van nieuwe organisatievormen en arbeidsrelaties belangrijk om mensen meer invloed te geven op werk en loopbaan en daar instrumenten voor te ontwikkelen. Maar laten we oppassen voor metaforen die ons begrip van deze zaken en daarmee de effectiviteit van beleid in de weg staan.


Verwijzingen

Corporaal, Stephan (2014), Gezocht: duidelijkheid, structuur en ontwikkeling; aantrekkelijke banen en organisaties voor de nieuwe generatie baanzoekers. Heerlen: Open Universiteit.

Kant, Emmanuel (1982), Die Metaphysik der Sitten, Werkausgabe VIII, Herausgegeben von Wilhelm Weischedel. Frankfurt: Suhrkamp

Kirschner, Paul A. en Jeroen J.G. Merriënboer (2013), 'Do learners really know best? Urband legends in education', in: Educational Psychologist, 48, 3, p. 169-183

Kuijpers, Marinka (2007), Loopbaanontwikkeling in het beroepsonderwijs: draagvlak en daadkracht. Intreerede, Haagse Hogeschool.

Kuijpers, Marinka A.C.T (2012)., Architectuur van leren voor de loopbaan: richting en ruimte. Oratie, Heerlen: Open Universiteit.

Lamme, Victor (2010), De vrije wil bestaat niet: over wie er echt de baas is in het brein. Amsterdam: Bert Bakker.

Man, Huibert de (2003), ‘Defensief gedrag in organisaties doorbreken’, in: M&O Tijdschrift voor Management en Organisatie, maart-april, p. 5-16.

Man, Huibert de (2011), ‘Chinese filosofie als spiegel voor westerse leiders’, in: Jaap van Muijen en Jaap Boonstra (red.), Leiderschap in organisaties: crisis in leiderschap – op zoek naar nieuwe wegen. Deventer: Kluwer.

Meché, Frans van der (2012), ‘Van neurowetenschap naar gedrag’, ib: M&O Tijdschrift voor Management en Organisatie, 6 (nov.-dec.), p. 15-26.

Philipse, Hans (2012), ‘De filosoof als conceptueel therapeut’, College in het kader van Studium Generale, Utrecht, 25 april; bron: http://www.sg.uu.nl/opnames/filosofie-van-de-geest/de-filosoof-als-conceptuele-therapeut

Reijen, Miriam van (2013), Spinoza in Bedrijf: van passie naar actie. Zoetermeer: Klement.

Thielst, Peter (2012), Livet forstås baglæns, men må leves forlæns
- historien om Søren Kierkegaard. København: Gyldendal.


Weick, K.E. (1979), The social psychology of organizing. Reading Mass.: Addison Wesley.