Tuesday, 15 April 2014

Universele waarden en China: kan dat?



Onlangs sprak ik een hoge functionaris van een mondiale onderneming die veel zaken in en met China doet. Ik vroeg hem, hoe men omging met het verschil van opvattingen over ethiek tussen China en het Westen. Zijn antwoord was heel duidelijk: ‘niet’.  Men accepteert het verschil niet, hoewel men weet dat het bestaat. De mondiale onderneming, die in veel verschillende landen opereert, kan zich niet veroorloven om met verschillende maten te meten afhankelijk van waar men is. Ethiek wordt in dit soort ondernemingen sterk ingevuld als ‘het voldoen aan regels’, ook wel ‘compliance’: de mate waarin men zich aan geldende regels, weten en normen houdt.

In mijn werk in het managementonderwijs in China heb ik gemerkt dat men dit begrip wel kent en toepast, maar dat het ethische gevoel van mensen overwegend geworteld is in een andere, oudere cultuur. Universele abstracte waarden en principes staan niet centraal in het Chinese denken. Doen wat in een bepaalde situatie past, is belangrijker dan een algemeen principe volgen. Om een oude term van de socioloog Parsons te gebruiken: de Chinese cultuur is niet universalistisch, maar particularistisch. De ‘medemens’ of de ‘naaste’ die in Christelijke opvattingen naar het evenbeeld van God geschapen is, ontbreekt in het Chinese bewustzijn. Men ziet een ander, in navolging van Confucius, vooral in termen van rollen en relaties: iemand is je oom, je vader, je baas, je kind en in die relaties heb je ethische verplichtingen. Je kunt ook een onbekende of een vreemdeling zijn, en dan ben je eigenlijk niemand.

Dat je pas iemand bent door specifieke relaties, werd me pijnlijk duidelijk toen mij eens een klein ongeluk overkwam in het centrum van Nanjing. Ik was licht gewond en er was wat bloed te zien. De kans bestond dat ik zelf de oorzaak was van deze ellende die ik verder niet zal beschrijven. Niemand hielp me en niemand bemoeide zich met me. Zelfs een politieagent die alles zag gebeuren, besloot zich afzijdig te houden. Ik merkte dat ik niemand was en dat mensen dat zo wilde laten. Een paar minuten later stond ik met bloed op mijn handen in het hotel. Daar werd ik meteen in de watten gelegd. Men wilde een dokter voor me halen, bracht vers fruit naar mijn kamer en de dames aan de balie waren echt heel hartelijk en aardig. Ik was hun gast en dat zou ik merken!

De nadruk op de eigen familie, op de eigen groep zit diep in de Chinese cultuur. Dit groepsegoïsme is strijdig met het westerse ethische denken op basis van universele principes een waarden. Een baas die goed voor zijn eigen mensen zorgt, en daarbij internationale of nationale regels overtreedt, wordt vaak als een goed mens gezien. Dat oordelen van personen een hogere morele status hebben dan conclusies op basis van algemene regels of wetten, is een mening die je ook onder Chinese juristen wel hoort. Dat is strijdig met de opvatting van internationale ondernemingen die streven naar mondiale regels voor zakendoen en een universele praktijk van compliance.

Het is ook de vraag, of het traditionele ‘particularistische’ denken van Chinezen, geworteld in een agrarische samenleving van duizenden jaren geleden, nog houdbaar is bij de toenemende interdependentie in de wereld. En is uiteindelijk internationaal zakendoen gebaat bij filosofieën die een sterk onderscheid maken tussen eigen en ander volk, zoals de traditionele manier van denken in China doet? Ik denk het niet. Maar wat is dan het alternatief? Moeten de Chinezen gaan denken als Amerikanen en Europeanen? Biedt de westerse filosofie of het Christelijke denken een basis voor een universalistische ethiek in China? Ik denk niet dat de Chinezen daarop zitten te wachten.

Maar een idee van universele waarden en de gelijkwaardigheid van mensen bestaat ook in de Chinese traditie, die wij in het Westen te gemakkelijk gelijkstellen aan de leer van Confucius. Deze andere visie vinden we bijvoorbeeld bij Mo Zi, een filosoof die in de vijfde eeuw voor Christus leefde. Hij streefde een maatschappij van eenvoud en zonder verspilling na, met welvaart en bevolkingsgroei. Het aristocratische denken van Confucius, met zijn nadruk op rituelen, muziek en verfijnde gewoontes, wees hij af. Ook was hij het niet eens met de ongelijkheid in dat denken en de gerichtheid op de eigen groep. Zo heeft hij bijvoorbeeld veel kritiek op extravagante begrafenissen voor belangrijke mensen. In zijn eigen leer, wel het ‘mohisme’ genoemd, maakt hij een voor westerse denkers vertrouwde combinatie: universele standaarden en de gelijkheid van mensen. Goed bestuur, zo schrijft hij, vindt plaats vanuit universele standaarden van goed en kwaad en bestuurders die daarnaar handelen. Zo schrijft hij over een positief voorbeeld van bestuur:

“Als wij ons afvragen waarom deze stad goed geordend is, dan zien we eenvoudig dat de bestuurder in staat was de standaarden van beoordeling tot één geheel te verenigen en dit bracht de orde voort. “

Interessant is dat hij met universele standaarden ook een geweten introduceert, in de vorm van de wereld van de geesten. Als mensen beseffen dat er altijd geesten zijn die alles zien wat zij doen en laten, dan zullen zij zorgen de universele wetten en regels te volgen. En daarmee zal het land welvarender worden.

In China worstelt men op het ogenblik met de gevolgen van groepsegoïsme in de vorm van corruptie, verspilling van overheidsgelden door bestuurders met een extravagante levensstijl. Door participatie in de mondiale economie moet men zich beter leren houden aan universele standaarden, wetten en regels. Beide ontwikkelingen vragen om een nieuwe ethiek. Wie weet dat inspiratie uit het werk van Mo Zi kan helpen tot een typisch Chinese invulling daarvan te komen.



Mo Zi, Basic Writings, translated by Burton Watson, New York, Columbia University Press, 2003