Thursday, 17 October 2013

Wie bepaalt wat wijs is?



In de wereld van politiek, economie en management krijgen oude normatieve vragen opnieuw aandacht. Het gaat niet alleen om wat werkt, maar in toenemende mate ook om wat goed is of slecht. Dit is op zich een gunstige ontwikkeling als we kijken naar een economie waar onder het mom van effectiviteit en efficiency veel is gebeurd dat met ‘goed huishouden’ – de oorspronkelijke betekenis van economie – niet veel te maken heeft, of naar de leiding van bedrijven waar de techniek van het ‘hoe’ de vraag naar het ‘waarom’ steeds meer heeft verdrongen. Initiatieven zoals ‘Wijsheid in Bedrijf’ (zie http://www.wijsheidinbedrijf.nl/ ) zijn daarom een nuttig tegenwicht tegen het instrumentele denken. Ik heb zelf een bijdrage mogen leveren aan het boek en de workshops in dat verband.

Met het woord ‘wijsheid’ halen we echter wel iets overhoop dat gemakkelijk in zijn tegendeel verkeert. Door aan te wijzen wat ‘wijs’ is en wie de ‘wijsheid’ in pacht heeft, kunnen we de indruk wekken dat we kunnen weten, kunnen vaststellen wat wijsheid is. Een volgende logische stap is dat we mensen kunnen aanwijzen die de hoeders van deze wijsheid moeten zijn en dat we hun de mogelijkheid geven om in te grijpen waar de wijsheid gevaar loopt.

Dit laatste is niet zo’n vreemde gedachte, zeker niet onder filosofen. In de dialogen van ‘De Staat’ (‘Politeia’) voert Plato de filosoof Socrates ten tonele, die in vlijmscherpe redeneringen zijn gesprekspartners in een richting weet te krijgen, waar ze wel moeten erkennen dat er absolute ideeën over waarheid, goedheid en rechtvaardigheid bestaan. Om een ideale staat te creëren, is het nodig dat deze waarden worden verdedigd door een speciale groep mensen, de hoeders van de staat. Die zorgen ervoor dat lage driften en verkeerde motieven geen kans krijgen en dat het volk verre wordt gehouden van al wat het in de verkeerde richting drijft. Daarvoor is een hoge mate van disciplinering nodig, zelfs van de meest vrije menselijke uitingen: de kunsten. Toonladders die verkeerde emoties oproepen dienen verboden te worden en gedichten die een onjuist beeld geven van de goden moeten worden herschreven of uit de literatuur verwijderd.

Dit lijken absurde gedachten, maar zij zijn in de politieke praktijk niet uitzonderlijk. In het huidige Iran spelen wijze mannen een centrale rol, in China bepaalt de staat welke films geschikt zijn voor de burgers en in grote bedrijven staan cultuurexperts klaar om het denken en voelen van de werknemer te disciplineren. De gedachte dat wijze mensen de waarheid, de goedheid of de rechtvaardigheid kennen om die vervolgens op te leggen, is wijdverbreid. Ja zelfs in onze eigen vaderlandse geschiedenis is de gedachte actueel geweest, toen koningin Wilhelmina plannen smeedde om onze democratie af te schaffen en een grote rol te geven aan morele elementen, zoals bepleit door de 'Morele Herbewapening'. Net als Plato zag ze dat democratie en wijsheid vaak niet samengaan.

De huidige roep om morele bezinning in het bedrijfsleven, de economie en de politiek zou in dezelfde richting kunnen gaan, zeker als we die koppelen aan de populariteit van leiderschap in onze tijd. We zouden kunnen gaan denken dat normen en waarden terug gebracht kunnen worden in het economische en sociale leven als we geïnspireerde leiders hebben die een goed inzicht hebben in goed en kwaad. We zouden dan ‘wijze mensen’  de leiding geven over organisaties, instellingen en de staat.

Uiteraard wil bijna niemand dat, maar de roep om wijsheid gaat vrij gemakkelijk in die richting, zeker als we de bronnen van wijsheid buiten de directe ervaring plaatsen: diepere intuïtie, geloof en andere niet-controleerbare zaken. Het voorbeeld van Plato is wat dat betreft van belang: hij wekt de suggestie dat hij via logisch-rationele weg, in een dialectisch spel van vraag en antwoord, these en antithese, bij de waarheid komt en dat deze waarheid onvermijdelijk is. Alleen wie het ‘niet begrepen heeft’ kan hem nog tegenspreken. En dat de 'socratische dialoog' in wezen een vorm van slimme manipulatie is, wordt niet doorzien.

Dit is duidelijk niet de kant die we op zouden moeten gaan, als we geen elite van beterweters willen creëren die zich op absolute en  oncontroleerbare wijsheden beroept. De eerste claim die we daarvoor los moeten laten is dat we via zuiver redeneren of persoonlijke intuïtie de waarheid, het goede of de rechtvaardigheid kunnen vinden. Idealisme en metafysica leiden maar al te snel tot autoritaire leiders en afhankelijke volgers. De ‘waarheid’ en verwante begrippen kunnen nooit meer zijn dan wat we er in onderlinge gesprekken mee doen. De voorstelling dat er achter de rommelige ervaring ergens, een ‘waarheid’ verscholen ligt, zoals de potten goud aan het eind van de regenboog, moeten we als een gevaarlijke fantasie van de hand wijzen.  Dit trekt mij persoonlijk zo aan in de Chinese filosofie die geen begrippen heeft om een waarheid of een werkelijkheid mee aan te duiden die buiten onze ervaring ligt.


Het lijkt me ook goed, zeker wanneer we het over het economisch leven, de politiek of management hebben, de nadruk niet te leggen op het ‘goede’ en hoe dat te bereiken. Het levert ons veel meer op als we naar zaken op zoek gaan die we ‘slecht’ of ‘verkeerd’ vinden om daar wat aan te doen. Ten eerste worden we het daar veel sneller over eens dan over het positief geformuleerde ‘goede’. En ten tweede behoedt ons een nadruk op het wegnemen van wat verkeerd is voor de heilloze en vaak gevaarlijke zoektocht naar de ideale samenleving, de perfecte economie of de organisatie zonder fouten. In naam van dit soort idealen is al genoeg narigheid aangericht…