Wednesday, 21 July 2010

Ben Knapen about China

In today's NRC Handelsblad Knapen writes in his column about the nature of 'Authoritarian Capitalism' in China, referring to recent labour unrest and how the government deals with it. I agree with him that the rather flexible way the government handles recent cases of unrest does not imply a process of democratization in Western terms. Autoritarian capitalism may be hard to undestand for us, but it is a reality with a logic of its own. Personally I think it is deeply rooted in a culture that is not only authoritarian, but also highly materialistic and pragmatic. As long as the government can ensure material improvement, I see no reason why its position would be threatened. Most Chinese people accept a strong government that educates and corrects the people and keeps chaos away.



Monday, 28 June 2010

Waarom er geen leven is na de dood, deel 2

Mijn vorige verhaaltje wilde alleen laten zien dat het letterlijk nemen van 'een leven na de dood' tot ongerijmdheden leidt. Een fysiek voortbestaan, of iets wat daarop lijkt, is dus uitgesloten. Maar er zijn natuurlijk wel trucs om dat leven na de dood te redden. De belangrijkste is de uitvinding van de 'ziel'. Je hoort daar eigenlijk weinig meer over. Wie durft bijvoorbeeld nog van 'zielkunde' te spreken als hij psychologie bedoelt? Maar stiekem denken veel mensen dat ze toch een ziel hebben. De ziel is volledige immaterieel, onzichtbaar, ontastbaar. Er zijn nog wel eens mensen geweest die er een gewicht aan hebben toegekend en hebben vastgesteld dat iemand na het uitblazen van zijn laatste adem een paar gram lichter is, maar dat blijkt allemaal op slechte metingen te berusten. En trouwens, met het veronderstellen van de ziel krijg je toch weer het probleem of de ziel iets onveranderlijks is of met je mee evolueert. Heb ik dezelfde ziel als toen ik een baby was en niet eens wist dat ik er zelf was? Is mijn ziel intact als ik strakst dement ben als een deur? Laten we daar maar eens van uitgaan, maar dan weet ik niet wat het voor nut heeft om een ziel te hebben. Er blijft dan iets voortbestaan, maar ik merk daar zelf niets meer van. Leuk voor anderen die tussen de sterren kunnen wijzen en dan roepen: kijk daar zweeft Huibert, daar is Papa. Die ziel was nog interessant toen men dacht dat daarin het bewustzijn zat. Descartes moest wel zo'n ziel veronderstellen, omdat hij anders ruzie met de kerk zou krijgen met zijn theorieën over de mens die vooral over de lichamelijke materiële kant gingen. Hij zag de ziel als een soort gewichtsloos gas, dat op een ingenieuze manier de hersenen ingepompt werd om daar kennis te nemen van wat ogen, oren, neus en huid aan ervaringen hadden geregistreerd. Een mannetje van de radio, maar dan achter in ons hoofd. Er zit dus een stoffeloze ziel te kijken naar wat ons stoffelijk lichaam allemaal meemaakt. Deze voorstelling van zaken leidt tot ongerijmdheden, want hoe registreert dat onzichtbare mannetje dan, heeft die dan ook nog iets van hersenen of zo?. En de anatomische voorstellingen van Descartes kloppen aantoonbaar niet. Het is allemaal onnodige ingewikkeldheid. Het echte probleem is dat wij kennelijk uit materie bestaan die tot bewustzijn van zichzelf gekomen is. Onbegrijpelijk, maar het is niet anders. En als die materie niet meer bestaat, dan is ook dit bewustzijn weg. Verhalen van mensen die boven hun eigen lichaam hebben gezweefd, buitenlichamelijke ervaringen hebben en zo worden wel gebruikt om te bewijzen dat er toch een ziel bestaat. Ik ben bereid die te aanvaarden als ik ook verhalen hoor over de ervaring van een ziel die nog niet in een lichaam zit, bijvoorbeeld mijn eigen ziel voordat die in mijn lichaam werd geplaatst. Helaas heb ik daar weinig herinneringen aan.

Kortom, de ziel als een stoffeloze werkelijkheid die ons lichaam 'bezielt', is een wat onhandige hulpconstructie om over het bewustzijn te kunnen praten zonder dat we daar een betere taal voor hebben. In die zin heb ik er ook niets tegen. Ik wil ook best weten wat jou 'bezielt' en daarmee duid ik dan op de hogere processen van bewustzijn die zich in jouw lichaam afspelen.

De ziel, maar ook beelden als het hiernamaals, eventueel te verdelen in hemel en hel, betreft een taal die we nodig hebben om het onuitsprekelijke te benoemen. Al zei Wittgenstein dan dat we onze mond moeten houden over dingen waarover we niet kunnen praten - waarmee hij het overigens over een logische noodzakelijk had en niet over een morele verplichting - kennelijk hebben we dat soort woorden nodig om over het onbegrijpelijke feit te praten dat we bewust zijn, leven en ooit dood zullen zijn, dat mensen die ons nu aankijken straks als een levenloze bonk nutteloze materie de oven in gaan of de kist. Dat is allemaal niet te vatten. En er is niets tegen een beeld van een hemel waar die overledenen verblijven en met God zitten te chillen of een hel waarin je met name je meest gehate collega's en familieleden nog eens ziet kermen van de pijn. De Boeddhistische gedachte van zielen die van lichaam verhuizen, geeft weer andere mogelijkheden, al was het maar dat je je chef nog eens in een mug ziet veranderen die je dan kunt doodslaan, wat overigens juist weer niet mag van dit geloof.

In die zin is er dus wel degelijk een leven naar de dood, althans voor ons die nog leven. En persoonlijk heb ik meer sympathie voor mensen die hun besef van het onuitsprekelijke godsdienstig uiten dan voor mensen die doen alsof er geen raadsel bestaat.

Monday, 21 June 2010

Waarom er geen leven is na de dood

Waarom er geen leven is na de dood: een Stoïcijns opstel


Ik zie de laatste tijd vaak mensen die al voor een deel vertrokken zijn van deze wereld. Soms is dat geestelijk - ze zijn een stuk van hun geheugen kwijt en van hun intellectuele vaardigheden -, soms is het lichamelijk - er ontbreekt een lichaamsdeel of een lichaamsfunctie. Als ik goed naar mezelf kijk, dan behoor ik tot beide categorieën, althans in beperkte mate.

Ik heb me wel eens afgevraagd waar al die stukken van mensen gebleven zijn. Laten we eens van uitgaan dat we na onze dood in de hemel komen. Maar hoe komen we daar dan? Ik neem aan helemaal compleet, met alles d'r op en d'r aan. Dat zou echter betekenen dat die 20% van mijn gehoor die ik nu al kwijt ben, en straks een groter deel, dus ergens moet worden opgeslagen totdat ik dood ben. En van impotente mannen moet de potentie voorlopig even de kast in. Ik weet dat men de wederopstanding in China vroeger zo serieus nam dat eunuchen hun ontbrekend seksueel instrumentarium in een klein doosje meedroegen, zodat de zaak later weer gerepareerd zou kunnen worden. Zo zou het verstand van demente bejaarden ook ergens bewaard moeten worden. Los van de geweldige administratie die zoiets met zich mee zou brengen, lijkt dit allemaal wel erg omslachtig. En hoe ziet een soort voorportaal van de hemel eruit dat bestaat uit alle stukken die we onderweg zijn kwijtgeraakt? Wat doen die losse stukken gevoel, herinnering, potentie, gehoor en reuk daar? Hoe houden geamputeerde borsten, benen en stukken darm zich bezig? Nee, ik kan het me niet voorstellen.

Het lijkt me maar beter om te veronderstellen dat wat weg is ook echt definitief weg is. En waarom ook niet? Voordat we tanden kregen, hadden we ze ook niet en voordat ik de herinnering aan mijn oude lagere school had, heb ik nooit iets gemist. En trouwens, wie heeft er last van dat hij nog niet bestaat? Doet dat pijn? Voelt dat leeg? Dus, als we ervan uitgaan dat stukken van onszelf geheel kunnen wegraken en dan nergens meer zijn, waarom zouden we dan zelf niet geheel zoek kunnen zijn? Dat dit lastig is voor te stellen, is meer een probleem van onze hersenen dan iets anders. Zolang de hersenen werken zien zij een toekomst en het is onmogelijk je een toekomst voor te stellen waarin je niet voorkomt. Dit is een soort existentieel gezichtsbedrog waaraan we niet ontkomen en dat tot allerlei fantasieën over hemel en hel heeft geleid. Maar het blijft gezichtsbedrog.

Zolang ik niet weet waar mijn 20% gehoor en de oude kracht in mijn benen en mijn strakke jongensvel zijn gebleven, ga ik ervan uit dat er ook niet ergens een ruimte is voor verdwenen mensen. Behalve in de herinnering van anderen natuurlijk: daarin leven we verder. Gelukkig hebben we daar verder geen last van.

Saturday, 23 January 2010

The man who put culture on the management map

The man who put culture on the management map: Tilburg University said farewell to Geert Hofstede

Dr. Huibert de Man, Maastricht School of Management

January 2010

With a small symposium on January 21, Tilburg University said farewell to Geert Hofstede, the renowned researcher of national management cultures. Four lectures gave a balanced view of his contribution to theory building in the field of national and regional cultural differences in organizations and to the practice of cross-cultural management.

For someone like me, who is interested in the development of cross cultural management theory, and tries to apply theories of culture in management education and management training, this symposium provided a useful and stimulating view of themes and issues in the field of comparative management research. Here I give some of my personal reflections.

Arndt Sorge used the idea of map-making to put Hofstede’s werk in perspective. A map is not a copy of reality, it is a specific representation developed for certain purposes. There is no best map, there are only adequate ones, as Sorge showed. Maps of the earth should reproduce true angles if you want to use them in aviation. Angles are more important when you fly than distances, so distances may be a little bit less realistic on aviation maps. So what Hofstede did was create a certain type of map, and this map, like any map, has its limitations. The idea of cultural distance inherent in Hofstede’s maps, for example, can easily be misinterpreted. People can be familiar with distant cultures and that is easily forgotten. And to make the concept really meaningful, it is often necessary to disaggregate the concept into the aspects that make up distances in particular situations. In this type of comment Sorge showed his own preference for qualitative in-depth case-studies. The large scale surveys on which Hofstede’s work is based, are not exactly his own style. Yet, he advises qualitative researchers to inspect Hofstede’s dimensions first before interpreting specific situations and their cultural aspects. If you observe differences in behaviour between German and Dutch managers, inspection of the maps can help you avoid the stereotypical and probably wrong conclusion that Germans are more authoritarian. What you have observed is probably the consequence of higher masculinity and uncertainty avoidance.

A number of theoretical discussions are relevant to the critical appraisal of Hofstede’s work, as Sorge showed in his presentation, like institutionalist versus the cultural explanations and the specificity of values to social domains and life phases. Such discussions put Hofstede’s maps and their meaning in perspective. Sorge’s conclusion – maybe this should not surprise us in the context of a festive ceremony – was that of all the maps available Hofstede’s was still the best, since, unlike alternatives, it is embedded in solid theory from sociology and cultural anthropology and is based on an impressive database of real and comparable managers, differing only on the variable of nationality. Sorge mentioned the fact that some scientific journals are now hesitant to accept publications that are still using the old Hofstede map, since there are some newer maps available, like the results of the GLOBE research and the Schwartz value survey.

This lecture was followed by a very well-delivered and interesting presentation by Marieke de Mooij. She has been working in the field of advertising, marketing and consumer behaviour for many years, using Hofstede’s dimensions to explain and predict differences in buying behaviour and effectiveness of advertising. Quite convincingly she showed a number of graphs depicting relationships between buying behaviour across countries and Hofstede’s dimensions. The correlations were impressively high. Her major argument is that most marketing and advertising methods are based on Western (mainly North-American) images of human motivation and decision-making. It is about the individual making buying decisions in isolation, on the basis of motives that are believed to be universal, like the American type of individual happiness that is supposed to be a universal human value, which it is not, at least not if we interpret ‘happiness’ in the American way. A number of videos of highly informative and amusing commercials provided qualitative content for what her statistical analyses suggested: the Hofstede dimensions matter when you want to sell your goods in different cultures. The variable of collectivism-individualism, for example was shown through a Japanese commercial involving an ‘extended family’ of cats, which was contrasted by a Western video of a lonely, self-actualizing (my interpretation) solitary animal. De Mooij illustrated very well what the previous speaker had meant by the complementarity of quantitative survey research and qualitative, interpretative work. In her presentation, like in her books, the two approaches work in a complementary way: the qualitative data make sure that we know what phenomena we are talking about and the quantitative analyses offer a check on the existence of causal relationships across wider samples.

This balance between qualitative depth and quantitative generalization was lacking from the third presentation in the symposium, by Mark Peterson who presented work in progress in the field of regional differences. The basic idea behind this work is the obvious fact that within countries there are regions with distinct cultures, often connected to linguistic or ethnic differences. Mapping these differences in a way that resembles the country studies by Hofstede is the work of a network of researchers of which Peterson is part. In his presentation this researcher showed many examples of analyses in different countries and the dimensions on which regions differ. Given the inductive style and data-oriented focus of this work, it leads to many potentially interesting findings, which are difficult to interpret however in terms of theoretical significance and practical relevance. The presentation was probably more interesting for fellow researchers struggling with comparable data sets than for someone with a broad interest in cultural phenomena in management.

Much more stimulating, and sometimes even irritating, was the presentation by Evert van de Vliert. His research starts from a bold hypothesis: cultural differences are a response to climatic conditions and wealth (or poverty). He divides the world in roughly four quadrants: harsh climate and poor, harsh climate and rich, temperate climate and poor, temperate climate and rich. Using the dimensions of power distance and uncertainty avoidance, Van de Vliert show that ‘harsh and poor’ corresponds to high power distance and collectivist countries, whereas the harsh and rich climate have produced low power distance individualist countries. The temperate and poor countries have less extreme values on power distance and collectivism/individualism. There is also a strong correlation between the climates and uncertainty avoidance: high uncertainty avoidance, i.e. a control mentality, can be found in countries with low wealth and harsh climatic conditions. Van de Vliert also showed other relations which I will not repeat here, but altogether he provided a convincing image which shows that Hofstede’s country level data are at least consistent with he climate-wealth explanation of the origin of cultural differences. Whether or not these explanations are consistent with the actual historical development of cultures, which also involves processes in immigration, imitation and so on, can of course not be decided on the basis of the statistical analysis alone. Based on a straightforward functionalist image of culture, Van de Vliert’s interpretations share the limitations of this style of theorizing, and no explicit attempts were made, at least not in his presentation, to address issues that could be put forward on the basis of constructivist and other alternative frames of cultural analyses. To me it remained an intelligent and playful exercise in data analysis, having as its most important merit that it stimulates discussion.

This symposium convinced me of the lasting value of Hofstede’s work, in spite of the doubts I have about the way it is often being used in practice. Managers and trainers often confuse Hofstede’s maps with the landscape, leading to stereotypical images of cultures and even individual managers: ‘he behaves like that because he is Chinese and the Chinese are high on the dimension of power distance’. I have given other examples in previous blogs on this website.

Sorge’s introduction about map making made it clear to me that we must not blame the map makers for the way travellers use maps. Both Sorge’s methodological considerations and Mooij’s intelligent application of the framework showed the need to combine Hofstede’s maps with qualitative material to understand what culture means in specific contexts and how people use culture in specific situations. The combination of continued research on the quantitative front of inductive map making, exemplified in Peterson’s work, qualitative work and theoretical debate is needed to produce relevant insight into culture and its consequences.